An die Musik

Een bonte verzameling koorcomposities met ‘muziek’ als onderwerp vormt het programma ‘An die Musik’, dat Kamerkoor Convocaal ten gehore wil brengen, afgewisseld door  Jeroen van Dijk die prachtige muziek op de cello zal laten horen.

Met een negentiende-eeuwse fuga (Louis Spohr’s ‘An die Musik’) opent het programma, waarna twee zestiendeeeuwse chansons volgen (Noë Faignant’s ‘Musica, alderzoetste konst’ en Paul Peuerl’s ‘O Musica’). Een romantische, laatnegentiende-eeuwse lofzang (Anton Bruckner’s  ‘Trösterin Musik’)  sluit het eerste blok af.

Na het intermezzo door de Zwolse cellist Jeroen van Dijk (Diego Ortiz’ ‘Recercada Ottava’ en ‘Chi Passa’) volgt het tweede blok met lofzangen op muziek in het algemeen, nu met Engelse composities.

Ralph Vaughan Williams bezingt in zijn ‘Silence and Music’ de stilte waaruit muziek kan beginnen, in een voor hem heel ongebruikelijk idioom; de tonaliteit is veelal ongrijpbaar in een fijnzinnige sfeertekening, close harmony voor gevorderden avant-la-lettre. Arthur Sullivan vervolgens bezingt de echo in een prettig, romantisch coupletlied voor koor, ‘The Echo’ en George Dyson tenslotte tekent met smeuïge akkoorden en wendingen de werking van muziek op de ziel van de luisteraar in zijn ‘To Music’.

Na het tweede intermezzo door Jeroen van Dijk met ‘Allemande’ uit de tweede Suite voor Cello van Johann Sebastian Bach komen teksten met een ander licht op muziek aan de orde: bovenaardse muziek.

Allereerst in Thomas Tomkins’ ‘Music divine’. De tekstschrijver lijkt alle muziek als van boven gegeven te beschouwen en beklaagt zich over het feit dat liefde zo vaak onderwerp van muziek wordt genoemd, terwijl het feitelijke onderwerp lust is. Het laatste werk vóór de pauze bezingt de zang der sirenen, een bovenaards gezang, waartegen het traditiegetrouw moeilijk weerstand bieden is. Eduard Flipse’s koorlied ‘Sirenen’ getuigt van een groot en geïnspireerd vakmanschap en behoort tot de favoriete werken van koor en dirigent in dit programma. Hier is een hoofdrol weggelegd voor de mannenpartijen (de zeelieden, eigenlijke dragers van de tekst) in de hoekdelen, met steeds de sirenenzang voor de sopranen en alten verlokkend aanwezig, en het prachtige, harmonisch verrassende en verraderlijke middendeel.

Na de pauze nog twee ‘bovenaardse’ muziek-getuigenissen: allereerst Richard Ram’s ‘Sonnet an Orpheus’ op tekst van Rilke. Met schijnbaar eenvoudige muzikale middelen, helaas wel verraderlijk listig ingezet, beschrijft Ram de werking van het gezang van Orpheus: betoverend veranderend, een echte ear-opener. Het laatste ‘bovenaardse’ lied komt van de nachtegaal: Hendrik Andriessen’s ‘De Nachtegaal’ (op een zeventiendeeeuwse tekst van Sluyter) is een fris, helder en vrolijk koorlied voor vrouwenkoor, met de typische verrassende wendingen in ritmiek, melodie en harmonie, die we van Andriessen kunnen verwachten.

Na het derde en laatste intermezzo door Jeroen van Dijk met Astor Piazolla’s ‘Tzigane Tango’ volgen drie liederen met vocale muziek als onderwerp, en wel vocale muziek door mensen ten gehore gebracht. Natuurlijk zongen de sirenen, Orpheus en de nachtegaal ook, maar ons menselijke gezang mag natuurlijk nooit worden vergeleken met het verlokkende gezang van mythologische wezens, met het verandering veroorzakende gezang van de zanger der zangers – met een muze als moeder! – of met ongedwongen, vrije zang van de zangvogel der zangvogels.

Hans Leo Hassler’s ‘Nun fanget an’ is een eenvoudige uitnodiging, een goed lied te zingen, door instrumenten begeleid, om een feestelijke gelegenheid te begeleiden. De zetting is vierstemmig en gematigd polyfoon. In Wilhelm Berger’s ‘Ein kleines Lied’ vraagt de tekstdichteres, Marie von Ebner-Eschenbach, zich af, waarom een klein lied toch zo kan bekoren. In Berger’s zetting, die heel eenvoudig van textuur is (het gaat ook hier om een ‘klein liedje’), zal ook de aanwezigheid van ‘een hele ziel’ tijdens de uitvoering van doorslaggevende betekenis zijn voor het welslagen ervan, zoals dat eigenlijk voor elke muziekuitvoering geldt.

De laatste compositie op ons programma is Orlando di Lasso’s dubbelkorige ‘Tutto lo di’, een zogenaamde ‘villanella’, een luchtig wereldlijk werkje, waarin de tekstschrijver, moe van al het zingen, liever instrumentaal verder zou willen gaan.

Programma:

1. Louis Spohr (1784-1859) An die Musik
2. Noë Faignant (ca. 1540-ca. 1598) Musica alderzoetste konst
3. Paul Peuerl (ca. 1570-ca. 1625) O musica
4. Anton Bruckner (1824-1896) Trösterin Musik 

5. Intermezzo:
   Diego Ortiz (1510-1570)
   – Recercada Ottava
   – Chi Passa

6. Ralph Vaughan Williams (1872-1958) Silence and music
7. Arthur Sullivan (1842-1900) Echoes
8. George Dyson (1883-1964) To Music

9. Intermezzo:
   Johann Sebastian Bach (1685-1750) Suite nr. 2 voor Cello; Allemande

10. Thomas Tomkins (1572-1656) Music divine
11. Eduard Flipse (1896-1973) Sirenen

Pauze

12. Richard Ram Sonett an Orpheus
13. Hendrik Andriessen (1892-1981) De Nachtegaal

14. Intermezzo:
    Astor Piazolla (1921-1992) Tzigane Tango

15. Hans Leo Hassler (1564-1621) Nun fanget an ein gutes Liedlein zu singen
16. Wilhelm Berger (1861-1911) Ein kleines Lied
17. Orlando di Lasso (1532-1596) Tutto lo di

 

Geen reacties meer mogelijk.